Kolonialisme en ik

Dat ik vrij naïef was wat betreft kolonialisme heb ik nooit onder stoelen en banken gestoken. 

In het eerste deel van mijn onderzoek sprak ik met andere tweede en derde generatie Indo’s. We spraken voornamelijk over het gevoel Indo zijn. Wat betekent deze afkomst voor hen? Wat willen zij doorgeven aan de volgende generatie? En zijn er dingen die een echte Indo moet hebben, moet weten of moet kunnen? 

We spraken niet over het pijnlijke verleden. Maar voornamelijk over de positieve en leuke dingen van het Indo zijn en wat voor dat gevoel van Indo zijn zorgt. 

Je kunt namelijk niet naar dingen vragen waar je je niet bewust van bent. Dat vind ik nu jammer. Want had ik eerder meer geweten over kolonialisme dan hadden deze gesprekken er misschien heel anders uitgezien. 

Desalniettemin vond ik deze gesprekken ontzettend waardevol. Ze hebben me heel veel opgeleverd dat zich vooral uit in herkenning en erkenning. 

Maar daar wil ik niet over schrijven. Want dat het verleden van mijn oma en haar broers en zussen een zware was, daar was ik natuurlijk wel van op de hoogte. Ik wist niet dat zij genoten van de privileges van kolonialisme. Over het pijnlijke verleden werd weinig gesproken, maar het was wel voelbaar. Als ik spreek met mijn oma over het verleden dan merk ik aan haar dat zij ook niet doorheeft dat zij genoten van de privileges van het kolonialisme. 

Ik ging me verdiepen in kolonialisme door middel van persoonlijke verhalen en de geschiedenis die ik eigenlijk op school had moeten krijgen. Ik kwam er langzaam en zeker achter dat niet voor alle Indischen zo’n mooi liefdesverhaal als dat van mijn overgrootmoeder en vader was weggelegd. 

En dat niet alleen. De verhalen die ik las over wat de Nederlanders hebben gedaan om de macht te houden in voormalig Nederlands-Indië schokten mij, naïf dat ik was natuurlijk. Ik las over hoe de Nederlanders naar de inheemse bevolking keken. Hoe zij hen gebruikten en ondermijnden. De inheemsen waren minder waard, Indopaupers werden ze ook wel genoemd. Het was zelfs toegestaan om de Indonesiërs die als gidsen meegingen op patrouille van het KNIL vast te binden met touwen (bron: Van Friese klei tot tropenuniform van Gerda Hartkamp). 

Als ik alle dingen lees die de Nederlanders hebben gedaan in deze periode schaam ik me dat ik afstam van kolonisten. Het doet mij pijn dat mijn overgrootvader meewerkte aan het in stand houden hiervan. Tegelijkertijd ken ik zijn verhaal. Weet ik dat hij hier in Nederland met een vader die dronk en hem en zijn moeder en broers sloeg alleen maar op zoek was naar een beter leven. Het soldij dat hij kreeg om naar Nederlands-Indië te gaan gaf hij aan zijn moedertje. Hij wilde liefde en op zijn jonge leeftijd avontuur. Dacht hij eraan dat hij door naar het verre oosten te gaan een cultuur van onderdrukking in stand hield. Waarschijnlijk niet. 

Mijn Indonesische opa zat ook in het KNIL. Over hem weet ik helemaal niks en ik kan niks zeggen over zijn beweegredenen om het leger in te gaan. Het kan zijn omdat zijn vader in het leger zat of misschien omdat hij geld wilde verdienen. Ik weet dat hij in een interneringskamp heeft gezeten, dat hij van Java komt. Na de onafhankelijkheid naar Nieuw-Guinea is verhuisd. En daarna naar Nederland. Waar ze het helemaal niks vonden. 

Misschien is het vergoelijken van hun beweegredenen wel een hele koloniale gedachte. Ik ben ben bang dat ik niet helemaal zonder koloniale gedachten ben. Ik werk hier hard aan. 

Ik probeer wel hun daden binnen het aanwezige cultuur en binnen een bepaalde periode te plaatsen. Kijkend met de bril van 2022 begrijp ik dat alles wat daar gebeurde niet goed was. Maar als je binnen een gedachtegang opgroeit en je kunt het je niet permitteren om welke redenen dan ook om kritisch te zijn, je bepaalde keuzes maakt. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de tijd van segregatie. Of hoe onze generatie het heel normaal vindt om vlees te eten. Maar zal de volgende generatie dit ook nog normaal vinden?

Ondanks dat ik veel heb geleerd over kolonialisme kijk ik niet anders naar mijn grootouders. Zij zijn een product van hun tijd en deden in hun ogen wat goed was voor hen en voor hun gezinnen. Ik hoef niet al hun daden goed te keuren, ook al weet ik hier natuurlijk het fijne niet van. Ik weet dat het geen slechte mensen waren. En dat weet ik omdat hun kinderen met liefde over hen spreken. Ondanks dat zij hebben bijgedragen aan een oneerlijk systeem ben ik hen ook bijzonder dankbaar en heb ik veel respect voor ze. Zonder hun doorzettingsvermogen, moed en kracht zou ik niet dit leven hebben. En me de luxe om hierover na te denken kunnen permitteren. 

Deze twee gevoelens voeren bij mij intern een continue strijd. En trots en schaamte gaan hierbij hand in hand.

Aan de andere kant stel ik mezelf vaak de vraag: “hoe zit het met de rest van Nederland? Zullen zij zich net zo schuldig voelen als ik dat hun voorouders zich schuldig hebben gemaakt aan kolonialisme?” Ik denk dat zij dit onderwerp veelal niet op zichzelf projecteren. Maar zien als een ver verleden. Ook al is het nog zo jong als mijn vader, die nog onder koloniaal bewind is opgegroeid.